Uw kind heeft een voogd

In de wet staat dat minderjarigen altijd iemand moeten hebben die het gezag over hen heeft. Dit gezag ligt in principe bij de ouder(s) van het kind. Maar als bijvoorbeeld beide ouders overleden zijn, of als de kinderrechter besluit dat de ouders het ouderlijk gezag niet meer mogen uitoefenen, dan moet iemand anders het van hen overnemen. Er wordt dan een voogd aangewezen. Dat kan iemand zijn uit de directe omgeving van het kind. Bijvoorbeeld een oom, tante of oma. Maar ook een instelling kan aangesteld worden als voogd, bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg.

 

De voogd is volledig verantwoordelijk voor het kind. Als de ouders nog leven, dan blijven zij wel betrokken. Maar zij hebben geen opvoedingsverantwoordelijkheid meer en kunnen geen beslissingen meer over hun kind nemen. Dit ligt volledig bij de voogd. Hij beslist bijvoorbeeld over naar welke school het kind gaat. Uiteraard overlegt hij daar ook over  met het kind en zijn verzorgers.

 

Als het kind al in een pleeggezin of instelling woont, dan blijft het daar gedurende de voogdij gewoon wonen. Als dit nog niet het geval is wordt het kind na het uitspreken van de voogdij zo snel als mogelijk geplaatst in een pleeggezin of bij een organisatie voor Jeugd & Opvoedhulp. Hier wordt voor het kind gezorgd en hier wordt het kind opgevoed. De voogd is hierbij betrokken.

 

De kinderrechter spreekt de voogdij uit voor onbepaalde tijd. Maar de voogdij eindigt in ieder geval zodra het kind meerderjarig wordt (18 jaar).